Innovatieve Beelden

7 oktober 2014, Giel van Hooff

Techniekhistorisch Nederland en (dus) ook de SHT is in ruime mate betrokken bij de boekenserie Bedrijfsleven in Nederland in de 20ste eeuw die onze sociaal-economische historische collega’s de afgelopen jaren aan het produceren zijn. Dit zogenaamde BINT-project zal bij menig lezer van deze site wel vertrouwd zijn, al is het maar vanwege de redelijke recente inbreng hierin vanuit de ‘techniekhoek’ in de vorm van een zelfstandig deel over innovatie. Lees hier meer over op de website: http://www.bintproject.nl/innovatie.php.

Innovatie is een fraai woord dat in de naoorlogse periode een geheel eigen vlucht heeft genomen. Een aardige indicatie (voor wat het waard is) is het aantal treffers in de onvolprezen digitale krantenba(n)k van Nederland: Delpher. In de jaren twintig van de 20e eeuw was het woord redelijk populair, maar pas vanaf de jaren zestig neemt het gebruik van ‘innovatie’ een grote vlucht: 255 treffers in de jaren zestig en bijna 4000 in de jaren tachtig. Vermoedelijk moet het statistisch fiks gecorrigeerd worden (er waren in de laatste periode veel meer pagina’s/letters, wat de trefkans beïnvloedt), maar we zouden van een modewoord kunnen spreken.

Er komt een innovatiebeleid, er is sprake van innovatiestudies en, sterker nog, innovaties blijven gewoon tot stand komen. Hoe zien die er dan uit? Het is natuurlijk wel duidelijk dat er zich tussen het Eurekamoment en een mogelijke toepassing in de regel een lang traject bevindt. Bij de zoektocht naar technisch-organisatorische nieuwigheden en hun gebruik in de praktijk zijn heel wat personen en instanties betrokken. Ik noem dat maar gemakshalve de kennisinfrastructuur. U begrijpt dan wel dat er dan haast vanzelf beelden opdoemen van onderzoek en overleg, in de regel vooral mannen, met daarbij gebouwen en locaties. Het werk in deze speurinstellingen is natuurlijk een geijkte manier om het noeste onderzoekswerk te illustreren. Maar heel veel beeld blijkt er dan niet bewaard te zijn. Neem nu de voornaamste speurwerkinstelling van ons land, TNO, dat kan bogen op een geschiedenis die teruggaat tot 1932. Vermoedelijk is mede vanwege de vele organisatorische veranderingen inclusief verhuizingen het erfgoed grotendeels teloor gegaan. Beelden van beproevingen in het voormalige Verpakkingsinstituut of van speurwerk in het eveneens verdwenen Vezelinstituut: binnen het huidige TNO hoef je daarvoor niet te zijn. Gelukkig is er in openbare collecties nog wel wat terug te vinden van dit toegepaste onderzoek.

Hoe breng je dan verder die kennisinfrastructuur in beeld? Dat was nog een lastige opgave. Aan een overlegsituatie zie je niet zo maar af of het om iets innovatiefs gaat en ook aan een toepassing zie je het denkwerk vooraf moeilijk af. Het betreffende BINT-deel bevat gelukkig ook allerlei gevalstudies mét de namen van de voornaamste betrokkenen. Maar een portretfoto van een onderzoeker of van zijn of haar labgebouw of -kamer: dat is wel erg mager. Veelvuldig komen de relaties aan bod die de enige landbouwuniversiteit van ons land had met het agrarisch veld. In het interbellum werkten de tuinbouwsector, de voedingsmiddelenindustrie en Wageningen nauw samen bij de ontwikkeling van innovatieve producten, geconcretiseerd in een flesje Hero Perl. Deze mostdrank was van Zwitserse origine, evenals het moederbedrijf van Hero Breda. Maar de Zwitserse drank bleek voor de Nederlandse producent toch niet zo gemakkelijk na te maken. Hero Breda leunde op kennis en contacten in Zwitserland, branchegenoot Maatschappij De Betuwe in Tiel zocht het dichter bij huis. Bij de ontwikkeling van haar zoete most was de Wageningse hoogleraar tuinbouwplantenteelt A.M. Sprenger actief betrokken. Sprenger pleitte al langer voor een betere en meer economische verwerking van de tuinbouwproducten en lanceerde de leus: “Steunt Nederlands fruitteelt en nijverheid, bevordert uw gezondheid en drinkt Zoete Most’. 

Giel blog afbeelding

Gemeentearchief Wageningen

Sprenger maakte letterlijk school; zijn in 1923 opgerichte laboratorium telde een uitgebreide schare studenten en medewerkers, deels ook met een buitenlandse achtergrond. Zijn netwerk wordt treffend geïllustreerd in een groepsfoto die rond 1930 voor het laboratoriumgebouw is gemaakt. Sprenger haalt u er vast zo wel uit. Zo bevat het boek meer beeldende verhalen van mensen en innovaties die bijvoorbeeld het mogelijk maakten dat in de naoorlogse periode ook in Nederland nylons werden vervaardigd. Van de toepassing en reclame hiervoor zijn volop beelden, het viel niet mee om de kennisoverdracht te illustreren. Gelukkig bleek een foto bewaard van de aankomst van een Amerikaanse breimachine voor nylon kousen bij “De sok” ofwel Jansen de Wit, te Schijndel. Toch echt een ander product dan de traditionele zwarte kousen.


Dr. Giel van Hooff is werkzaam bij de historische sectie van de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e)en beeldredacteur bij onder andere het BINT-project

Terug..

Reageren

Naam:
Email:
Reactie:

* Alle velden zijn verplicht

Herhaal de letters en cijfers (om automatische berichten te voorkomen)

This form is generated by FormHandler