Techniek in Nederland in de twintigste eeuw conferentie

19 oktober 2001

door H. Buiter

Op vrijdag 19 oktober vond de jaarlijkse conferentie Techniek in Nederland in de twintigste eeuw (TIN-20) plaats, die de Stichting Historie der Techniek in samenwerking met WTMC en het N.W. Posthumus Instituut organiseerde. De dag werd bezocht door een kleine vijftig deelnemers. 

In het ochtendprogramma stonden de clusters Industriële Productie, Stad en Bouw centraal. De teksten van deze clusters zullen in het zesde deel van de serie Techniek in Nederland aan bod komen. Redactrice Industriële Productie dr. Mila Davids legde in haar presentatie uit dat haar onderzoeksteam zich vooral richt op de zogenaamde maakindustrie, die bestudeerd wordt vanuit de gedachte afzonderlijke bedrijven industriële complexen vormen waarin relaties van afnemers, toeleveranciers en andere omgevingsfactoren in belangrijke mate de vorm en omvang van de industriële productie bepalen.

De grafische industrie, de scheepsbouw en het Philips concern zijn industriële complexen die onderzocht worden. Redacteur Stad dr. Nil Disco toonde de gelaagdheid van de in de stad aanwezige netwerken en systemen. Hij beschouwt de stad als innovatieknooppunt, een plaats waar verschillende technieken vervlochten raken en elkaar beïnvloeden. Onderzoek naar de ontwikkeling van de fysiek-technische structuur van diverse Nederlandse steden levert het materiaal voor deze exercitie.

Redactrice dr. Liesbeth Bervoets lichtte het cluster Bouw toe, dat zich met name richt op de woningbouw. Bouw zal niet alleen ontwikkelingen als gebruik van prefab elementen en kunststoffen behandelen, maar ook de relatie tussen de bouwers en de consument. Het cluster besteedt met name aandacht aan de veelal onderbelichte rol die intermediaire groepen als vrouwenadviescommissies en het Bouwcentrum hebben gespeeld in het bouwproces. Getoond wordt op welke wijze de consumenten steeds meer invloed kregen op de uitvoering van de woningbouw.

Het middagprogramma van de conferentie stond in het teken van Geschiedenis en Beleid. Prof. dr. Johan Schot schetste de mogelijkheden en beperkingen van het gebruik van geschiedenis voor beleidsvorming en -evaluatie. Hij waarschuwde voor de valkuilen van het gebruik van geschiedenis op een instrumentele manier en het te ver doorvoeren van analogieën. Volgens hem hebben historici desalniettemin de taak om de geschiedenis als schatkamer te openen, mythes te ontmaskeren en scenario's te bouwen op basis van lange termijn trends. Tijdens een discussie wezen experts uit de beleidswereld erop dat de te onderzoeken thema's vooral gezocht moeten worden in actuele beleidsonderwerpen zoals zorg, onderwijs en veiligheid. Daarnaast zou in de historische studies aandacht kunnen worden besteed aan relevante informatie ter voorbereiding en evaluatie van beleid zoals terugverdientijden, aanpassingkosten en opgetreden kansen en risico's. 

Tijdens workshops werd hierover nader van gedachten gewisseld naar aanleiding van introducties van dr. ir. Geert Verbong over duurzame energie, drs. Bert Toussaint over de ervaringen van de 'historische discipline' van de Rijkswaterstaat en dr. Jan-Pieter Smits over de lange termijn veranderingen in het Nederlandse concurrentievermogen. In de discussies stond de mogelijke bijdrage van historisch onderzoek voor beleid centraal, maar ook hoe lastig het kan zijn om belangen van historici en beleidsmakers te verenigen. 

De geslaagde dag werd afgesloten met de uitreiking van de Prof. R.J. Forbesprijs aan dr. Ester Luiten voor haar proefschrift 'Beyond energy efficiency' en ir. Frank Geels voor diverse artikelen en papers over technologische transities.

Terug..