100 Jaar Shell Research in Amsterdam

In 2014 is het 100 jaar geleden dat het Shell laboratorium in Amsterdam zijn deuren opende. Het Shell Technology Centre Amsterdam wil deze gelegenheid aangrijpen om terug te kijken op het verleden van de organisatie en zijn omgeving en wil historische lijnen doortrekken naar de toekomst. De informatie wordt op een toegankelijke manier ontsloten via een interactief smartboard dat in het Atrium van het Shell Technology Centre in Amsterdam wordt geplaatst. Daarnaast is het ook een doel om de informatie via het internet of in de vorm van een app aan te bieden.

De smartboard werd onthuld tijdens de nieuwjaarsreceptie op 6 januari 2014 en bevat informatie over de voorgeschiedenis - de prelude - van het Shell laboratorium in Amsterdam.

Opzet

Feitelijk vormt het smartboard een virtueel museum dat bezoekers in staat stelt de geschiedenis van R&D binnen Shell en de noodzakelijke context (het verhaal achter de ontwikkeling) te ontdekken. Bezoekers worden als het ware meegenomen over thematische paden door de geschiedenis en kunnen er daarnaast voor kiezen zelf uitgebreidere paden te bewandelen om hun kennis verder te verdiepen.

De geschiedenis zal allereerst opgedeeld worden in een aantal centrale thema’s. Ieder thema wordt gekarakteriseerd in één of meerdere historische afbeeldingen - of indien beschikbaar en inpasbaar filmfragmenten - en een korte tekst waarin de belangrijkste ontwikkelingen worden geschetst. Via een tour langs de verschillende thema’s ontstaat een beeld van de grote lijnen van de historische ontwikkeling van R&D binnen Shell. Daarnaast kan de bezoeker binnen ieder thema deelonderwerpen verder verkennen via een ‘georganiseerde’ tour of zelf willekeurig door de verschillende deelonderwerpen zappen. Ook hier wordt het basisstramien van één of meerdere afbeeldingen - of filmfragmenten - en een korte tekst gehanteerd. Bezoekers ervaren hier knooppunten waar bepaalde ontwikkelingen samenkomen.

Geschiedenis

De prelude laat zien waarom Shell in 1914 in Amsterdam Noord een belangrijk R&D laboratorium opende. Het verhaal begint bij de opkomst van de grootschalige oliewinning in de negentiende eeuw. Een ontwikkeling die mogelijk werd door nieuwe technieken om via boorgaten olie te winnen, betere methodes om gericht naar olie te zoeken en een groeiende markt voor olie. Vanuit de Verenigde Staten breidde de grootschalige oliewinning zich in de tweede helft van de negentiende eeuw uit naar Oost-Azië en Oost-Europa.

De in Nederlands-Indië aanwezige olievoorraden vormden voor het Nederlandse bedrijfsleven, onderwijs en onderzoek een stimulans. De NV Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij groeide hier uit tot een centrale actor. Aanvankelijk was het bedrijf vooral actief in Nieuw-Zeeland, de Verenigde Staten, Rusland en Venezuela. Organisatorisch van groot belang was de fusie in 1907 met The Shell Transport and Trading Company.

Op wetenschappelijk en technisch gebied was de Koninklijke in de beginperiode sterk afhankelijk van externe kennis uit binnen- en buitenland. Er werden verschillende ingenieursbureaus en particuliere en universitaire laboratoria ingeschakeld. Daarin kwam geleidelijk verandering door de aanstelling van academisch geschoolde technologen. Uit onderzoek bleek al snel dat olie kon dienen als waardebolle grondstof voor de chemische industrie. De Koninklijke zag daarin kansen en wilde kennis verwerven. Dat vormde in 1906 aanleiding voor een eigen onderzoekslaboratorium in Schiedam. Dat Schiedamse laboratorium legde de basis voor het laboratorium in Amsterdam-Noord, dat in 1914 inclusief een proeffabriek met destilleerruimte in gebruik werd genomen.

Locatie

De keus voor Amsterdam-Noord was niet toevallig. Sinds de ingebruikname van het Noordzeekanaal in 1876 was het gebied bezig uit te groeien tot het grootste industrieterrein van Amsterdam. Er kwam ruimte voor zware industrie, scheepsbouw en petrochemische industrie.

Team

Het team bestaat uit dr. Jan Korsten als projectleider, dr. Nil Disco als projectuitvoerder en adviseurs zijn prof.dr. Ernst Homburg en dr. Suzanne Lommers.