Ontwikkeling Nederlandse polymeerwetenschap van 1945-2010

We kunnen tegenwoordig niet meer zonder kunststof. Zonder kunststof zou de commerciële ontwikkeling van allerhande elektronica onmogelijk zijn; de behuizing, de isolatie van kabels, de printplaten, ze zijn allemaal van kunststof. Samen met coatings, harsen en lijmen zijn kunststoffen voorbeelden van zogenaamde ‘polymeren’: ketens van duizenden moleculen lang.

Na de Tweede Wereldoorlog nam de chemie van polymeren een hoge vlucht. Ook de Nederlandse industrie zag de grote mogelijkheden van polymeren en begon met de eigen ontwikkeling en productie van plastics. Omdat de fundamentele eigenschappen van polymeren toen nog niet allemaal bekend waren, was er veel nieuwe kennis nodig. Deze kennis werd in eerste instantie in de industrie en bij TNO ontwikkeld. Vanaf de jaren zestig gingen de universiteiten, die steeds groter en belangrijker werden, hier ook een rol in spelen. Niet alleen kwamen er twee nieuwe technische universiteiten bij, maar door de aanstelling van hoogleraren uit de industrie kwam ook het universitaire polymeeronderzoek van de grond. In de jaren tachtig groeide het academische werkveld sterk en ook de industrie zat in deze periode niet stil.

In de jaren tachtig en negentig werden belangrijke innovaties geboren, zoals de supersterke vezels ‘Dyneema’ (DSM) en ‘Twaron’ (Akzo), en de kunststof ‘Stanyl’ (DSM). Sommige van deze uitvindingen, zoals het Twaron, hebben uitsluitend hun kennisbasis in het desbetreffende bedrijf. Andere uitvindingen, zoals Dyneema, vonden echter hun oorsprong in het industriële laboratorium, werden verder ontwikkeld aan de universiteiten en later doorontwikkeld door de industrie. De basis voor de kunststof Stanyl werd op zijn beurt gelegd door de universiteit, waarna het door de industrie verder werd ontwikkeld tot een eindproduct.

De vraag rijst dan ook: wat is de rol van de universitaire en industriële onderzoekslaboratoria in het tot stand komen van de succesvolle kunststofindustrie? Naast een studie naar de geschiedenis van de Nederlandse polymeerwetenschap tussen 1900-2011 voert de SHT in samenwerking met de TU/e een analyse uit van de publicaties en patenten die in deze jaren verschenen. Het accent ligt daarbij op de periode na de Tweede Wereldoorlog. Onder meer wordt gekeken naar de samenwerking tussen academische en industriële onderzoekers, en wat hiervan de opbrengst was in aantallen patenten en hun impact. Ook wordt de hoeveelheid en impact van wetenschappelijke publicaties onderzocht.

Aan dit project werken mee: Marijn Hollestelle (onderzoeker), Harry Lintsen (projectleider), en Önder Nomaler (onderzoeker, TU/e). Het project wordt gefinancierd door het Dutch Polymer Institute (DPI).